Naar de inhoud
Terug naar blog

Maximale lengte van een verlengkabel: zo reken je het uit

Maximale lengte van een verlengkabel: zo reken je het uit

Een verlengkabel heeft geen vaste maximumlengte. Hoe lang hij mag zijn, hangt af van drie dingen: hoeveel stroom erdoor loopt, hoe dik de aders zijn en of de beveiliging bij een fout nog snel genoeg afschakelt. Als vuistregel haalt een koperen kabel van 2,5 mm² met 16 A op 230 V ongeveer 54 meter voor hij de gangbare grens van 5% spanningsval bereikt. Een lichtere belasting of een dikkere kabel laat meer meters toe, een zwaardere belasting minder. Hieronder lees je hoe je de lengte zelf berekent, welke richtwaarden je op een evenement of werf kunt hanteren en wat je doet als de afstand te groot wordt.

Stroomhuren
stroomhuren.be
Kies kabels voor veilige stroom
Stroomhuren verhuurt kabels en verdeelpanelen voor evenementen en werven, met maatwerk en veiligheidsadvies voor tijdelijke stroomvoorzieningen.
Bekijk de mogelijkheden

Kort samengevat

  • Er bestaat geen wettelijke maximumlengte: het AREI vraagt dat de spanningsval beperkt blijft, de norm hanteert 3% voor verlichting en 5% voor andere kringen.
  • De lengte bepaal je met de formule ΔU = 2 × ρ × L × I / S (eenfasig): meer stroom vraagt een dikkere kabel of minder meters.
  • Een kabel van 2,5 mm² met 16 A haalt zo’n 54 meter bij 5% spanningsval, een kabel van 1,5 mm² met 10 A zo’n 31 meter bij 3%.
  • Bij een kortsluiting moet er nog genoeg stroom lopen om binnen 0,4 seconden af te schakelen: ook dat begrenst de lengte.
  • Moet je verder? Kies een dikkere doorsnede, stap over op driefasige CEE-kabels of plaats een verdeelkast dichter bij de verbruikers.

Inhoudsopgave

Waarom er geen vaste maximumlengte bestaat

Wie “maximale lengte” zoekt, verwacht vaak één getal. Dat getal staat nergens in de regelgeving. Het AREI legt de toegelaten spanningsval niet in vaste cijfers vast: het vraagt dat spanningsvallen beperkt blijven tot wat de regels van goed vakmanschap beschrijven. In de praktijk betekent dat de waarden uit de norm, maximaal 3% voor verlichting en 5% voor andere gebruikers.

Ook in de versie van het AREI van 29 oktober 2025 blijft die logica overeind: de spanningsval moet verenigbaar zijn met een veilige werking van de aangesloten toestellen. Een kabel is dus niet “te lang” omdat hij een bepaald aantal meter haalt, maar omdat het toestel aan het einde te weinig spanning krijgt of omdat de beveiliging bij een fout niet meer goed werkt.

Dat verklaart ook waarom de verschillen zo groot zijn. Een bekend rekenvoorbeeld: een snoer voor een stofzuiger van 1500 watt mag maximaal zo’n 30 meter lang zijn, terwijl een gloeilamp van 100 watt aan dezelfde soort kabel tot 450 meter verder nog kan branden. Dezelfde kabel, een totaal andere maximumlengte, alleen omdat het verbruik verschilt.

Waarom er geen vaste maximumlengte bestaat

De drie factoren die de lengte bepalen

1. De stroom, of het vermogen van wat je aansluit

Hoe meer stroom er door een kabel loopt, hoe groter het spanningsverlies per meter. Bij 230 V reken je de stroom uit door het vermogen te delen door de spanning: een toestel van 3 000 W trekt ongeveer 13 A. In België ligt het maximale vermogen van een degelijke stekkerdoos of verlengkabel dikwijls op 3 680 watt, oftewel 16 A × 230 V. Tel dus alles op wat aan één kabel hangt: een koffiemachine, een frietketel en een paar spots samen zitten daar snel boven.

2. De doorsnede van de aders

Een dikkere ader heeft minder weerstand en verliest dus minder spanning. Volgens Energids is een kabel van 2,5 mm² geschikt voor 16 A of 3 680 W. Controleer altijd het label: niet elke verlengkabel haalt dat niveau. De doorsnede staat meestal op de mantel gedrukt, bijvoorbeeld 3G2,5 (drie aders van 2,5 mm²) of 5G6 (vijf aders van 6 mm²).

3. De beveiliging bij een fout

Dit is de factor die veel mensen vergeten. Bij een kortsluiting aan het einde van een lange kabel moet er nog genoeg stroom lopen om binnen 0,4 seconden af te schakelen. Hoe langer en dunner de kabel, hoe hoger de lusimpedantie en hoe kleiner die kortsluitstroom. Wordt die te klein, dan blijft de automaat te lang ingeschakeld en loopt de kabel of het toestel onder spanning terwijl dat niet mag. Bij lange tracés op evenementen is dat precies het punt waar een elektricien met een meting de doorslag geeft.

Spanningsval berekenen in vier stappen

Voor een eenfasige kring (230 V) gebruik je deze formule voor de spanningsval:

ΔU = 2 × ρ × L × I / S

  • ΔU: de spanningsval in volt
  • ρ: de soortelijke weerstand van koper, ongeveer 0,0175 Ω·mm²/m
  • L: de lengte van de kabel in meter (de factor 2 staat voor heen en terug)
  • I: de stroom in ampère
  • S: de doorsnede in mm²

Zo pak je het aan:

  1. Bepaal de stroom. Tel het vermogen van alle toestellen op en deel door 230. Een foodtruck met 3 000 W geeft ongeveer 13 A.
  2. Vul de formule in. Met een kabel van 2,5 mm² over 40 meter: 2 × 0,0175 × 40 × 13 / 2,5 = 7,3 V.
  3. Reken om naar procent. 7,3 / 230 = 3,2%. Dat blijft onder de 5% voor gewone kringen.
  4. Toets aan het doel. Hangt er alleen verlichting aan, dan geldt 3% en zit je er net boven. Kies dan 4 mm² of verkort het tracé.

Wil je de formule in meer detail, met driefasige voorbeelden en praktijkwaarden? In onze gids over spanningsval berekenen voor elektriciens werken we ze stap voor stap uit.

Richtwaarden: hoe lang mag je kabel zijn?

Een koperen kabel van 2,5 mm² met 16 A op 230 V bereikt de 5% spanningsval na ongeveer 54 meter; een verlichtingskring van 1,5 mm² met 10 A bereikt 3% na ongeveer 31 meter. Omdat de toegelaten lengte recht evenredig is met de doorsnede en omgekeerd evenredig met de stroom, kun je van daaruit de andere combinaties afleiden. De tabel hieronder doet dat voor eenfasig gebruik op 230 V, met koperen kabel.

Doorsnede Stroom Vermogen (ca.) Max. lengte bij 5% Max. lengte bij 3% (verlichting)
1,5 mm² 10 A 2 300 W ca. 52 m ca. 31 m
1,5 mm² 16 A 3 680 W ca. 32 m ca. 19 m
2,5 mm² 10 A 2 300 W ca. 86 m ca. 52 m
2,5 mm² 16 A 3 680 W ca. 54 m ca. 32 m
4 mm² 16 A 3 680 W ca. 86 m ca. 52 m
6 mm² 16 A 3 680 W ca. 130 m ca. 78 m
6 mm² 32 A 7 360 W ca. 65 m ca. 39 m

Drie kanttekeningen bij het lezen van deze tabel:

  • Het is een totaal. De lengte geldt voor het hele tracé van stopcontact of verdeelkast tot verbruiker, inclusief alle kabels die je achter elkaar zet.
  • De kabel moet de stroom ook aankunnen. Spanningsval is één toets, de toelaatbare stroom van de kabel een tweede. Die hangt af van het kabeltype en hoe hij ligt, en staat bij de kabel vermeld.
  • De vaste installatie telt mee. Achter het stopcontact zit al een stuk leiding met zijn eigen spanningsval. Sluit je aan op een stopcontact ver van de verdeelkast, dan heb je minder marge voor je verlengkabel.

Driefasig en krachtstroom: verder met dezelfde stroom

Op evenementen en werven werk je vaak met CEE-kabels op 400 V. Bij een evenwichtig belaste driefasige kring reken je met √3 in plaats van 2 en met 400 V in plaats van 230 V. Wie dat uitrekent, ziet dat het procentuele verlies bij dezelfde stroom per fase ongeveer half zo groot is als bij een eenfasige kring. Grof gezegd haal je dus ongeveer het dubbele aantal meters, op voorwaarde dat je de fasen netjes verdeelt.

In de praktijk:

De slimste aanpak bij grote afstanden is bijna altijd dezelfde: breng het vermogen met een dikke krachtstroomkabel tot dicht bij de verbruikers en verdeel daar pas met een verdeelkast naar kortere 16A- of Schuko-kabels. Zo blijft elke eindkring kort en blijft de spanningsval binnen de perken.

Koppelen, haspels en buitengebruik

De berekening klopt alleen als de kabel ook correct gebruikt wordt. Dit zijn de punten waar het in de praktijk misloopt.

Geen kabels aan elkaar koppelen. Drie losse kabels van 25 meter achter elkaar zijn 75 meter, met drie extra contactpunten die elk opwarmen en weerstand toevoegen. Kies liever één kabel op de juiste lengte en de juiste doorsnede.

Haspels altijd volledig afrollen. Een opgerolde kabel kan zijn warmte niet kwijt. Bij een belasting dicht bij het maximum warmt de spoel op tot het isolatiemateriaal schade oploopt.

Kies het juiste kabeltype buiten. Buiten en op werven gebruik je kabels met een rubberen mantel, die soepel blijven en tegen vocht en mechanische belasting kunnen, met stekkers en contactdozen die geschikt zijn voor buitengebruik. Liggen ze lang in de zon, kijk dan ook naar UV-bestendigheid: in onze gids over UV-bestendige kabels kiezen zetten we de types naast elkaar.

Bescherm de kabel op het tracé. Waar mensen, karren of voertuigen over de kabel gaan, leg je een kabelbrug. Langs wanden en op tribunes houdt een kabelgoot de kabels samen en uit de loopzone. Zo voorkom je dat een geplette kabel stilletjes een zwak punt wordt.

Geen verlengkabel aan een laadkabel. Ook voor elektrische wagens op een event of bedrijfsterrein geldt een aparte regel: verleng nooit een laadkabel, want laadkabels hebben beveiligingen en een communicatiedraad die met het laadstation communiceren.

Koppelen, haspels en buitengebruik

Zo plan je de kabelroute op een evenement

Een goede kabelplanning begint niet bij de kabel, maar bij de lijst met verbruikers. Werk in deze volgorde:

  1. Maak een verbruikerslijst. Noteer per plek wat er aangesloten wordt en hoeveel watt het vraagt: podium, bar, foodtrucks, verlichting, tenten.
  2. Teken het terrein. Duid de aansluiting of generator aan en meet de afstand naar elke verbruikerszone, langs de echte route en niet in vogelvlucht.
  3. Groepeer en plaats verdeelkasten. Zet een verdeelkast in het midden van elke cluster van verbruikers, zodat de eindkabels kort blijven.
  4. Kies per tracé de doorsnede. Gebruik de formule of de tabel hierboven. Zit je boven 5%, of boven 3% voor verlichting, dan neem je de volgende doorsnede.
  5. Controleer aarding en beveiliging. Bij tijdelijke installaties hoort een degelijke aarding en een keuring. Onze gids over aarding en keuring legt uit waar je op let.
  6. Plan reserve. Voorzie een paar extra kabels en adapters voor wijzigingen op de dag zelf, want een foodtruck die tien meter verderop wil staan, komt er altijd.

Meer over veilig opstellen en aansluiten lees je in onze gids veilig werken met verdeelkasten.

Onze kijk: lengte is een ontwerpkeuze, geen gok

Bij bijna elke aanvraag krijgen we dezelfde vraag: hoe lang mag die kabel zijn? Ons antwoord is altijd een wedervraag: wat hangt eraan, en waar staat de voeding? Pas dan weten we of een gewone 16A-kabel volstaat of of er een dikkere doorsnede of een verdeelkast tussen moet.

We zien te vaak dat een probleem op een evenement niet bij het toestel begint, maar bij de kabel ernaartoe. Te veel meters, te dun, of drie kabels aan elkaar omdat dat toevallig in de bus lag. Het resultaat is een frietketel die niet op temperatuur komt, lichten die flikkeren of een automaat die op het slechtste moment uitvalt.

Daarom werken we met kabels en verdeelkasten die voldoen aan de Europese normen, en denken we mee over het hele tracé in plaats van losse kabels mee te geven. Wie zelf installeert, kiest voor dry hire. Wie het liever uit handen geeft, kan rekenen op onze volledige service. In beide gevallen heb je één vast aanspreekpunt en zijn we 24/7 bereikbaar.

Belgalink

Verlengkabels huren met advies over de juiste lengte

Twijfel je welke doorsnede en lengte je project nodig heeft? Bij Stroomhuren.be huur je verlengkabels in CEE en Schuko, verdeelkasten, aarding, overgangen, meters en kabelgoten, los of als gebruiksklare set. Je krijgt binnen 24 uur een offerte en kunt dankzij onze nachtsas ook buiten de openingsuren afhalen en terugbrengen.

Stroomhuren

Geef ons je verbruikerslijst en de afstanden, dan stellen we samen de juiste kabels voor. Bekijk ons aanbod om een verlengkabel te huren of ontdek hoe we stroom voor je evenement van begin tot eind regelen.

Veelgestelde vragen

Hoe lang mag een verlengkabel van 2,5 mm² zijn?

Bij volle belasting van 16 A op 230 V ongeveer 54 meter, als je 5% spanningsval aanhoudt. Voor verlichting, met een grens van 3%, kom je uit op zo’n 32 meter. Bij een lichtere belasting mag de kabel evenredig langer zijn.

Mag ik twee verlengkabels aan elkaar koppelen?

Liever niet. Elke koppeling is een extra contactpunt dat kan opwarmen, en de totale lengte telt mee voor de spanningsval. Kies één kabel met de juiste lengte en doorsnede, of plaats een verdeelkast tussen voeding en verbruikers.

Wat gebeurt er als een verlengkabel te lang is?

Het toestel aan het einde krijgt te weinig spanning, waardoor motoren zwaarder draaien, verwarmingselementen trager opwarmen en verlichting kan flikkeren. Gevaarlijker is dat de beveiliging bij een kortsluiting niet meer binnen 0,4 seconden afschakelt. Daarom bereken je de lengte vooraf.

Hoe lang is een standaard verlengkabel?

Verlengkabels voor thuisgebruik zijn meestal enkele meters lang, kabelhaspels lopen tot enkele tientallen meters. Voor evenementen en werven bestaan professionele kabels in vaste lengtes, die je combineert met verdeelkasten. Welke lengte je nodig hebt, volgt uit de afstand en de belasting.

Haal ik met een driefasige kabel meer meters?

Ja. Bij een evenwichtig verdeelde driefasige belasting op 400 V is het procentuele spanningsverlies bij dezelfde stroom per fase ongeveer half zo groot als bij 230 V eenfasig. Je haalt dus grofweg het dubbele aantal meters, mits de fasen goed verdeeld zijn.

Bronnen

Aanbevelingen