Aardingsweerstand meten: zo doe je het volgens het AREI
De aardingsweerstand meet je met een aardingsmeter, ook tellurometer genoemd, en twee hulpelektroden die je in een rechte lijn naast de aardpen in de grond slaat. Je doet dat terwijl de installatie spanningsloos is en de scheidingsstrip open staat. In België ligt de streefwaarde onder 30 Ω. Hieronder lees je hoe de meting stap voor stap verloopt, hoe je het resultaat leest, wat je doet als de waarde te hoog is en waarom je op een evenement of bouwwerf bij elke nieuwe locatie opnieuw meet.
TL;DR
- Volgens het AREI moet de spreidingsweerstand bij voorkeur onder 30 Ω liggen. Tot 100 Ω kan alleen onder strikte voorwaarden, met extra gevoelige differentieelbescherming.
- Een gewone multimeter is hiervoor niet geschikt. Je hebt een aardingsmeter nodig die werkt met stroominjectie en hulpelektroden (driepuntsmethode).
- Je meet nooit onder spanning: schakel uit, open de scheidingsstrip en sluit hem na de meting opnieuw en zet hem vast.
- Voor tijdelijke installaties, zoals festivals, beurzen en werven, is een risicoanalyse verplicht. De aarding en het bevoegde personeel (BA4/BA5) staan daarin centraal.
- De bodem is op elke locatie anders. Wat vorige maand op een andere weide werkte, zegt niets over de plek waar je vandaag staat.
Inhoudsopgave
- Aardingsweerstand of spreidingsweerstand: wat meet je eigenlijk?
- Welke waarde is goed? De AREI-norm op een rij
- Waarom een multimeter niet volstaat
- Aardingsweerstand meten met de driepuntsmethode, stap voor stap
- Is de waarde te hoog? Zo breng je ze omlaag
- Aarding bij evenementen en bouwwerven: wat de regels vragen
- Onze kijk: meten hoort bij de opbouw, niet bij het papierwerk
- Aardingsmeter en aardingsmateriaal huren
- Veelgestelde vragen
- Bronnen
Aardingsweerstand of spreidingsweerstand: wat meet je eigenlijk?
In de praktijk gebruiken elektriciens de twee woorden door elkaar, en ook “aardverspreidingsweerstand” hoor je vaak. Ze verwijzen naar hetzelfde: de weerstand die een foutstroom ondervindt wanneer hij via de aardelektrode (aardpen, aardlus of aardingsnet) wegvloeit in de bodem.
Die waarde is geen eigenschap van de pen alleen. Ze hangt af van:
- de bodem rondom de elektrode: klei, zand, grind of puin geleiden heel verschillend;
- de vochtigheid: droge grond na een lange zomer geleidt slechter dan natte grond in het najaar;
- het contact tussen elektrode en grond: een pen in losgewoelde of opgevulde grond heeft minder contact;
- de lengte en het aantal elektroden: dieper slaan of meerdere pennen koppelen verlaagt in de regel de weerstand.
Waarom is dat zo belangrijk? Keuringsorganismen noemen de aardverbinding het meest kritieke onderdeel van de bescherming tegen indirecte aanraking. Raakt een fase de metalen behuizing van een toestel, dan moet de foutstroom snel genoeg via de aarde kunnen wegvloeien, zodat de verliesstroomschakelaar (differentieel) afschakelt. Is de spreidingsweerstand te hoog, dan blijft er gevaarlijke spanning op die behuizing staan. Dat kan de kast van een foodtruck zijn, een truss of een metalen hekwerk.
Welke waarde is goed? De AREI-norm op een rij
Het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI) is in België het referentiekader. Het reglement legt onder meer een gelijkvormigheidscontrole op voor iedere nieuwe huishoudelijke installatie. Voor de aarding komt het neer op twee grenzen:
| Gemeten spreidingsweerstand | Wat het betekent | Wat je doet |
|---|---|---|
| Onder 30 Ω | Streefwaarde volgens het AREI | In orde. Noteer de waarde, de datum en de omstandigheden |
| Tussen 30 en 100 Ω | Alleen toegestaan onder specifieke voorwaarden | Extra gevoelige differentieelbescherming is nodig. Laat dit beoordelen door een bevoegde persoon |
| Boven 100 Ω | Buiten de grens | Aarding verbeteren vóór je de installatie in gebruik neemt |
De cijfers in deze tabel komen uit de uitleg over aardingsweerstand van keuringsorganisme Atlas Contrôle: bij voorkeur onder 30 Ω en maximaal 100 Ω mits aanvullende, gevoeligere verliesstroombeveiliging.
Een praktische kanttekening: mik niet op “net onder 30”. Een waarde van 28 Ω gemeten na een regenweek kan in een droge periode flink stijgen. Wie ruim onder de grens zit, heeft marge voor wisselend weer en een installatie die meerdere dagen blijft staan.
Waarom een multimeter niet volstaat
Een van de vragen die het vaakst opduikt: kan ik de aarding niet gewoon met mijn multimeter testen? Het korte antwoord is nee. Een standaard multimeter meet weerstand met een kleine gelijkstroom tussen twee punten. De bodem gedraagt zich anders: er ontstaan polarisatie-effecten, er lopen zwerfstromen en je hebt geen vast referentiepunt in de grond.
Een aardingsmeter lost dat op. Hij stuurt een meetstroom door de bodem en meet het potentiaalverschil tussen hulpelektroden. Daarna rekent hij met de wet van Ohm (R = U / I) de spreidingsweerstand uit. Daarom spreekt men van de driepuntsmethode: de aardelektrode die je test, een stroompen en een spanningspen.
Met een multimeter tussen fase en aarde aan een stopcontact zie je hooguit of er een aardgeleider aanwezig is. Over de spreidingsweerstand van de aardelektrode zegt dat niets. Gebruik zo’n test dus nooit als bewijs dat je aarding in orde is.
Aardingsweerstand meten met de driepuntsmethode, stap voor stap
De stappen hieronder beschrijven de klassieke meting met hulpelektroden. Ze zijn bedoeld voor wie bevoegd is om aan de installatie te werken (BA4 of BA5). Twijfel je of je die bevoegdheid hebt, of gaat het om een installatie waar publiek op komt? Laat de meting dan uitvoeren of nakijken door je elektrotechnisch verantwoordelijke of een erkend organisme.
- Maak de installatie spanningsloos. Meten onder spanning is strikt verboden. Schakel de hoofdschakelaar uit, beveilig tegen herinschakelen en controleer of er geen spanning meer staat. Hoe je dat correct vergrendelt en labelt, lees je in onze uitleg over lockout tagout bij elektrische installaties.
- Open de scheidingsstrip. Het aardingsonderbrekingspunt koppelt de aardelektrode los van de rest van de installatie. Zonder die stap meet je parallelle paden mee, zoals leidingen of andere aardingen, en krijg je een te gunstige waarde.
- Plaats de hulpelektroden in een rechte lijn. Sla de eerste pen op 5 tot 10 meter van de aardpen en de tweede nog eens 5 tot 10 meter verder, zoals Atlas Contrôle beschrijft. Kies een lijn weg van ondergrondse leidingen, metalen hekwerk en andere aardpennen.
- Sluit de meetsnoeren aan. Volg de aanduidingen van je toestel. Meestal gaat de aardelektrode naar E, de spanningspen naar S of P en de stroompen naar H of C. Zorg voor schone, stevige contacten, want corrosie op een klem vertekent je resultaat.
- Voer de meting uit en noteer de waarde. Lees de spreidingsweerstand af. De meeste digitale toestellen tonen ook of de weerstand van de hulpelektroden zelf niet te hoog is.
- Controleer of de meting betrouwbaar is. Verplaats de spanningspen een stukje naar voren en naar achteren op dezelfde lijn en meet opnieuw. Blijven de waarden dicht bij elkaar, dan zit je buiten de invloedzone van beide elektroden. Springen ze flink, vergroot dan de afstanden.
- Sluit de scheidingsstrip en zet hem vast. Deze stap wordt het vaakst vergeten, en het is de gevaarlijkste fout. Een open strip betekent dat de volledige veiligheidsaarding niet meer met de aarde verbonden is.
- Leg het resultaat vast. Noteer de locatie, de datum, de weersomstandigheden, het toestel, de gemeten waarde en wie heeft gemeten. Bij een evenement voeg je dit toe aan het dossier van je risicoanalyse.
Meten zonder de aarding los te koppelen
Naast de driepuntsmethode bestaan er selectieve meetmethoden. Daarbij meet je met een stroomtang de weerstand van één pen in een meervoudige aarding, zonder de verbinding te openen. Dat is handig op een bestaand aardingsnet met meerdere pennen. Wie zo werkt, moet elk aardingspunt apart meten en weten wat het toestel precies meet. Voor één losse aardpen op een eventterrein blijft de klassieke methode met hulpelektroden de meest eenduidige keuze.
Is de waarde te hoog? Zo breng je ze omlaag
Meet je meer dan 30 Ω, dan zijn er een paar beproefde ingrepen. Welke het best werkt, hangt af van de bodem en van hoe lang de installatie blijft staan.
- Dieper slaan. Op veel terreinen vind je dieper in de grond vochtigere en beter geleidende lagen. Een verlengbare aardpen helpt dan.
- Meerdere pennen koppelen. Twee of drie pennen, op voldoende afstand van elkaar en onderling verbonden met een voldoende dikke aardgeleider, verlagen de totale weerstand. Staan ze te dicht bij elkaar, dan beïnvloeden ze elkaar en win je weinig.
- Een betere plek kiezen. Grond onder verharding, puin of opgehoogde zones geleidt vaak slecht. Een paar meter verderop in de natuurlijke bodem kan een groot verschil maken.
- Verbindingen nakijken. Een losse of geoxideerde klem voegt weerstand toe die niets met de bodem te maken heeft. Meet opnieuw nadat je de contacten hebt gereinigd en aangespannen.
- Differentieelbescherming afstemmen. Blijf je tussen 30 en 100 Ω, dan vraagt het AREI gevoeligere verliesstroombeveiliging. Dat is een ontwerpbeslissing voor de bevoegde persoon, geen snelle fix op het terrein.
Voor vaste gebouwen is de aarding een ander verhaal. Bij nieuwbouw ligt meestal een aardlus in de funderingssleuf, op minstens 60 cm diepte. Bij tijdelijke installaties werk je bijna altijd met pennen die je ter plaatse slaat. Daar draaien de meeste vragen over spreidingsweerstand dan ook om.
Aarding bij evenementen en bouwwerven: wat de regels vragen
Voor een festival, een beurs of een werfkeet gelden geen soepelere regels dan voor een vaste installatie, eerder strengere. De FOD Werkgelegenheid stelt dat voor tijdelijke installaties een specifieke risicoanalyse nodig is. Daarin staan de aardingsvoorziening, het type net en de inzet van bevoegd personeel (BA4/BA5) centraal. De Codex over het welzijn op het werk vraagt bovendien dat werknemers beschermd zijn tegen rechtstreekse en onrechtstreekse aanraking, en noemt het systeem van aardverbindingen uitdrukkelijk.
Wat dat in de praktijk betekent:
- Meet op elke nieuwe locatie. Een tijdelijke installatie wordt telkens opnieuw opgebouwd, op een andere bodem. De waarde van gisteren is vandaag niet geldig.
- Meet opnieuw na grote weersomslag. Bij een meerdaags evenement kan een droge hittegolf of net een stortbui de bodem merkbaar veranderen.
- Houd je meetrapport bij de hand. Een keuring of controle ter plaatse vraagt naar meetwaarden. Een ingevuld meetblad met datum en naam van wie gemeten heeft, spaart je discussie.
- Werk met materiaal dat geschikt is voor de klus. Een aardingsmeter die in goede staat is, degelijke aardingskabels en stevige klemmen maken het verschil tussen een meting die je kunt verantwoorden en een gok.
Wie de regelgeving voor tijdelijke opstellingen grondiger wil doornemen, vindt meer in ons overzicht van het AREI voor tijdelijke installaties en in de uitleg over aardingseisen op bouwplaatsen.
Een voorbeeld uit de praktijk
Neem een tweedaags dorpsfeest op een grasplein met een podium, drie foodtrucks en een tent. Op de ochtend van de opbouw slaat de elektricien een aardpen bij de hoofdverdeelkast en meet 48 Ω. Dat ligt boven de streefwaarde. Hij slaat een tweede pen op enkele meters afstand, verbindt beide met een aardingskabel en meet opnieuw: de waarde zakt onder 30 Ω. Hij noteert beide metingen in het dossier. Voorspelt het weerbericht voor dag twee hitte, dan plant hij 's ochtends een controlemeting vóór de stroom weer opgaat. Het voorbeeld is illustratief en de cijfers zijn fictief, maar de werkwijze is precies die van een goed voorbereide opbouw.
Onze kijk: meten hoort bij de opbouw, niet bij het papierwerk
We zien op het terrein vaak dat de aardingsmeting als formaliteit wordt behandeld: snel één waarde noteren, klaar. Dat begrijpen we, want op een opbouwdag telt elk uur. Toch is het precies de stap die bepaalt of al de rest veilig is. Een differentieel kan nog zo gevoelig zijn: zonder lage spreidingsweerstand kan hij zijn werk niet goed doen.

Onze ervaring met tijdelijke stroom voor evenementen, bouwplaatsen en technische installaties leert ons drie dingen. Ten eerste: plan de meting in je draaiboek, met tijd en een verantwoordelijke, en niet “als er tijd over is”. Ten tweede: zorg dat het meetmateriaal en het aardingsmateriaal samen ter plaatse zijn. Een te hoge waarde los je alleen op als je meteen een extra pen en kabel bij de hand hebt. Ten derde: stel je vragen vóór de opbouw. Daarom werken we met een vaste contactpersoon, Fien, die je project kent en meedenkt over veiligheid en conformiteit met de Europese normen.
We zijn VCA-gecertificeerd en 24/7 bereikbaar. Wie 's avonds laat afbouwt of 's ochtends vroeg vertrekt, kan materiaal afhalen en terugbrengen via onze nachtsas. Dat klinkt als een detail, maar het voorkomt dat iemand op het laatste moment met een ongetest alternatief gaat improviseren.
— Belgalink
Aardingsmeter en aardingsmateriaal huren
Moet je de aardingsweerstand meten voor één evenement of één werf, dan is een eigen toestel kopen vaak overbodig. Bij Stroomhuren kun je een aardingsmeter huren, of meteen een digitale aardingsmeter, samen met het aardingsmateriaal en de aardingskabel van 16 mm² die je nodig hebt om een te hoge waarde bij te sturen. Je kiest zelf: dry hire, waarbij je het materiaal ophaalt en zelf installeert, of volledige service met installatiebemiddeling. Je offerte krijg je binnen 24 uur. Meer achtergrond over de combinatie van aarding en keuring vind je in onze gids over aarding en keuring bij tijdelijke installaties. Heb je de volledige stroomvoorziening voor je event nodig, kijk dan bij stroom huren voor een evenement.
Veelgestelde vragen
Hoeveel moet de aardingsweerstand zijn in België?
Volgens het AREI ligt de spreidingsweerstand bij voorkeur onder 30 Ω. Een waarde tot 100 Ω is onder specifieke voorwaarden toegestaan, als er extra gevoelige differentieelbescherming aanwezig is. Boven 100 Ω moet je de aarding verbeteren voor je de installatie in gebruik neemt.
Kan ik de aarding van mijn stopcontact testen met een multimeter?
Nee, niet de spreidingsweerstand. Met een multimeter zie je hooguit of er een aardgeleider aanwezig is. Voor de eigenlijke aardingsweerstand heb je een aardingsmeter met hulpelektroden nodig, die werkt met stroominjectie en potentiaalmeting.
Hoe ver moeten de hulpelektroden van de aardpen staan?
Een gangbare opstelling plaatst de eerste hulppen op 5 tot 10 meter van de aardpen en de tweede nog eens 5 tot 10 meter verder, in een rechte lijn. Verplaats de spanningspen een stukje en meet opnieuw: blijft de waarde stabiel, dan is je meting betrouwbaar.
Waar kan ik een aardingsmeter huren?
Bij Stroomhuren huur je een aardingsmeter per dag of per project, eventueel samen met aardpennen, klemmen en aardingskabel. Vraag een offerte aan, dan heb je binnen 24 uur een voorstel. Ophalen en terugbrengen kan ook buiten de kantooruren via de nachtsas.
Moet ik bij elk evenement opnieuw meten?
Ja. Voor elke tijdelijke installatie is een risicoanalyse verplicht, en de bodem verschilt van locatie tot locatie. Meet daarom bij elke opbouw, en bij meerdaagse events ook na een duidelijke weersomslag.
Bronnen
- Atlas Contrôle: résistance de terre, valeur et mesure
- FOD Werkgelegenheid: installations électriques et RGIE
- Belgium.be: elektrische installaties
- Codex over het welzijn op het werk, boek III titel 2: elektrische installaties
- Certinergie: la prise de terre